
Minister Weerwind zet de stap naar een-register voor mediators en een volwaardige positionering van mediation naast rechtspraak.
In de brief van de minister aan de Tweede Kamer wordt uiteengezet wat de beleidslijn wordt voor een centraal mediators-register. De NMv is, naast de kwaliteitsregisters en andere belangenvertegenwoordigers, gevraagd kennis te nemen van het concept van de consultatiebrief. Zij is in de gelegenheid gesteld om input daarop te leveren en eventuele onvolkomenheden aan te geven. De NMv heeft kenbaar gemaakt een voorbehoud te maken in de zin van dat het uiteindelijke voorstel van de minister eerst aan haar leden zal worden voorgelegd. De NMv is er immers voor mediation en alle mediators. De mening van alle NMv mediators is voor haar dan ook belangrijk.
26 oktober jl heeft minister Weerwind voor rechtsbescherming een brief naar de Tweede Kamer gezonden met zijn reactie op de motie Ellian/Knops. In deze motie wordt de regering verzocht om te bevorderen dat er een centraal mediators-register wordt (door) ontwikkeld, dat register onder een lichte publiekrechtelijke regulering te brengen en de huidige opdracht in deze vorm aan de Raad voor Rechtsbijstand voor de toelating van registers te beëindigen. De minister heeft de kamer de motie ontraden maar is desondanks aangenomen. De huidige brief aan de kamer geeft de contouren waarbinnen de minister gevolg geeft aan de motie.
De brief geeft allereerst een analyse van het huidige mediationveld. Zij stelt dat dit veld onvoldoende transparant en toegankelijk is voor zowel hulpvragende als rechtzoekende burgers. Erkend wordt dat de huidige registers allen hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van mediation als instrument voor de oplossing van geschillen en conflicten en aan de kwaliteit van mediators. Tegelijkertijd wordt geconstateerd dat deze registers allen onderling hun eigen eisen stellen, die soms gelijkluidend en soms afwijkend zijn. De minister schrijft dat dit het veld voor hulp-vragende en rechtzoekenden (en hun hulpverleners) die mediation willen beproeven, onvoldoende transparant en toegankelijk maakt.
Minister Weerwind onderschrijft nog eens het publieke belang van mediation. Het kabinetsbeleid is er dan ook op gericht om het gebruik van mediation verder te stimuleren en mediation te positioneren als een belangrijke vorm van geschilbeslechting naast rechtspraak. In de kamerbrief over de versterking van de toegang tot het recht is dit kabinetsbeleid al eerder ook zo benoemd en aangehaald. Omdat mediation daardoor steeds meer in het publiek domein komt te staan acht de minister het prudent om nu de stap te zetten naar een-register voor mediators. Van dit register wordt verwacht dat het voor zowel de hulpvragende als de rechtzoekende burger inzicht geeft in kwaliteit en specialisme van de ingeschreven mediators. Het register zal daartoe uniforme criteria opstellen, daarnaast dient het register inzicht te geven op het specialisme van de mediator. Ingeschreven mediators krijgen de beschermde titel ’registermediator’. Alleen zij kunnen nog gesubsidieerde mediation verlenen op grond van de Wrb. Voor de rechtzoekende geld spiegelbeeldig dat zij alleen nog aanspraak kunnen maken op gesubsidieerde mediation als zij een mediator inschakelen die is ingeschreven in het centrale register. Alle mediators met een vermelding in een van de kwaliteitsregisters kunnen door middel van een vereenvoudigde procedure tot het wettelijke register worden toegelaten (rechtsvermoeden dat al aan een deel van de voorwaarden is voldaan). Alle bestaande organisaties die de kwaliteit van mediators normeren zullen worden betrokken bij het ontwikkelen van de kwaliteitsnormen die het centrale register gaat hanteren.
Verder schrijft de minister: van de overheid wordt verwacht dat zij de hulpvragende of rechtzoekende burger actief stimuleert om gebruik te maken van mediation en daartoe waarborgen biedt. Ook zal de wenselijkheid van een uniform klacht en tuchtrecht worden onderzocht. De minister beschrijft en onderbouwd in zijn brief welke organisatievorm dat ene centrale register dan dient te hebben. Vormen als een publiekrechte beroepsorganisatie en een zelfstandig bestuursorgaan in privaatrechtelijke zin worden dan wel strijdig met staand kabinetsbeleid, dan wel als niet aangewezen geacht. Ook het omvormen van een privaatrechtelijk register naar een zelfstandig bestuursorgaan moet worden vermeden. Wat resteert is dat onderzocht gaat worden om het centraal register onder te brengen bij een bestaand of nieuw op te richten publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan.
Centraal daarbij staat dat zo’n register niet hiërarchisch ondergeschikt dient te zijn aan de minister. Immers deze kan zelf ook partij zijn bij een bepaalde kwestie.